
Veenhuizen was een wereld op zichzelf. Alles wat nodig was om de gevangenis draaiende te houden, gebeurde binnen de hekken: brood bakken, kaas maken, klompen maken, metaal bewerken, stoffen weven… Maar ook postzakken stoppen in de Stopperij.
Ook de PTT wist het dorp te vinden. Kapotte postzakken uit heel Nederland, en soms zelfs van daarbuiten, werden per vrachtwagen naar het Eerste Gesticht gebracht, waar ze in de Stopperij weer opgelapt werden. Dat was een nuttige taak voor de gevangenen, onder leiding van de altijd vriendelijke opzichter Crajee. De mannen die daar werkten, waren van het rustige soort. Meestal oudere gevangenen. Geen haantjes, geen relschoppers. Mannen die hun tijd uitzaten en hun dagen vulden met de trapnaaimachine. Vaste prik. Elke dag weer hetzelfde eentonige werk. En toch waren de meesten daar erg tevreden mee, want het werk was niet zo zwaar als op het land en ze verdienden er een dagloon dat ze bij ontslag konden opstrijken. Bovendien was werken altijd beter dan de hele dag in de cel zitten.
Op een grijze ochtend begon de dag zoals alle andere.
De stapel kapotte zakken was fors, maar het tempo lag hoog. Tijdens de middagpauze was het tijd voor de vertrouwde boterham en een kop lauwe sleur. Daarna gingen de mannen weer aan het werk. De machinevoeten tikten op het ritme van de naalden. Alles leek normaal.
Tot iemand opmerkte dat Dirk T., verantwoordelijk voor het verzamelen van de gerepareerde zakken, al een tijd niet gezien was. Eerst dacht men aan een sanitaire stop, maar toen er na een kwartier nog steeds geen spoor van Dirk was, begon men zich zorgen te maken.
De bewaking werd gewaarschuwd. De Stopperij werd van boven tot onder uitgekamd, zonder resultaat. Buiten werd alarm geslagen. De bekende ringen met bewakers werden rondom in werking gezet: een binnenste ring rond het gesticht en een bredere daarbuiten. Als Dirk nog ergens liep, dan moest hij tussen die twee netten gevangen worden.
Maar Dirk was nergens.
Tegen het einde van de middag waren alle mannen weer ingesloten. Geen Dirk. Ook bij het avondappel ontbrak hij. Dat was ernstig. De bewaking besloot terug te gaan naar de werkplaats. De hoop gestopte zakken was inmiddels aanzienlijk gegroeid. Eén van de bewakers liep ernaartoe, duwde een paar zakken opzij en viel haast achterover van schrik.
Daar lag, tussen leer, stof en garen, een lichaam. Stil, roerloos, verwrongen, met een blauw aangelopen gezicht. Het was Dirk.
Happend naar adem had hij daar uren gelegen onder een grote hoop postzakken. Het was op het nippertje, maar hij leefde nog! Een brancard werd gehaald. In het hospitaal kwam hij langzaam weer bij.
Wat hij daar deed? Zou hij zo naïef zijn geweest om daar verstoppertje te spelen? Wat was zijn doel? Volgens eigen zeggen wist hij het niet meer. Hij had geen plannen, geen bedoelingen, geen herinnering. Maar niemand geloofde hem. Waarschijnlijk had Dirk geprobeerd zich tussen de zakken te verstoppen, met het doel te vluchten. Dan zou hij aan het einde van de dag tevoorschijn kunnen komen, over de hekken klimmen en Veenhuizen als vrij man de rug toekeren.
Een eenvoudige list, maar levensgevaarlijk. Was hij later gevonden, dan had hij het niet overleefd.
Zijn plan mislukte. En zoals het ging in Veenhuizen, volgde er een passende straf. Dirk mocht nog een paar dagen “nadenken” in de Rode Pannen: het cellencomplex voor ongewenst gedrag. Op water en brood. In stilte.
Wat hij daar dacht? Niemand weet het. Maar één ding is zeker: onder de postzakken? Daar zouden ze hem nooit meer vinden…

