
Aan het eind van de Kolonievaart, iets verscholen achter de zware eiken, lag het huis Maallust. Een robuuste dienstwoning met uitzicht op het werkterrein erachter. Hier woonde de molenaar. Geen boer, geen ambachtsman, maar een ambtenaar in dienst van Justitie. De man die verantwoordelijk was voor een van de meest essentiële schakels in het zelfvoorzienende systeem van Veenhuizen: meel. De molenaar heette Van Laar. Al sinds zijn jonge jaren woonde hij met zijn gezin in het huis dat dezelfde naam droeg als zijn werkplek. Zijn kinderen speelden tussen de graanzakken en de ratelende wielen. Zijn vrouw hield 85
kippen op het erf en roerde in een pan boven een turfgestookt fornuis. Alles rook er naar meelstof, olie en turf.
Elke dag begon vroeg. Nog voor zonsopkomst stonden er al twee verpleegden op de stoep — veroordeelden, onder begeleiding van een gewapende bewaker. Hun taak was duidelijk: helpen bij het lossen van graan, het vullen van de molen, het vervoeren van meel.
Het graan kwam met de kar vanaf de gestichtsakkers, en soms via het kanaal. Zakken gerst, rogge, haver en tarwe, geteeld op de velden van Veenhuizen. Alles werd gewogen en opgeslagen in de silo’s achter Maallust. Daarna begon het malen, met behulp van een stoommachine, en later ook een zware elektromotor aangedreven door de turfgestookte centrale iets verderop in het dorp.
De graanmaalderij denderde. Er was geen romantiek van wieken en wind, dit was industriële productie. Wie werkte in Maallust droeg stofdoeken voor de mond. Het gemalen meel dwarrelde overal, plakte aan je armen, zat in je haar, je kleren. Maar niemand klaagde. Vergeleken met het veen of de strontkar was dit goed werk.
Zodra het meel gemalen was, werd het gezeefd, gemengd en verpakt in jute zakken met het stempel „Rijkswerkinrichting Veenhuizen‟. Daarna gingen de zakken op de kar naar de bakker
, die er brood en beschuit van bakte voor de gestichten. Van Laar controleerde alles zelf. Hij wist hoeveel zakken er per week nodig waren, hoeveel graan er in de silo’s zat, en wanneer er nieuwe leveringen moesten komen. Zijn boeken waren nauwkeurig bijgehouden, in een klein handschrift dat hij zelf amper kon lezen als het te donker was.
Op een dag ontdekte Van Laar een tekort. Twee zakken rogge, weg. Geen spoor. Hij sprak er niemand op aan, maar lette beter op. Een week later zag hij het: een van de verpleegden had een kleine scheur in een zak gemaakt, net groot genoeg om met zijn hand een handvol meel te scheppen. Elke dag een beetje. Genoeg voor een paar extra koeken of een zetje bij het roken.
Van Laar meldde het niet meteen. In plaats daarvan zette hij de man op een ander werk: zakken sjouwen, buiten. Zwaarder, saaier, verder van het meel. De man begreep de boodschap. Het stelen stopte.
Dit was de stijl van Van Laar. Geen grote woorden, geen straffen als het niet nodig was. Hij wist dat mannen die dag in dag uit hetzelfde werkten, soms iets nodig hadden wat ze niet mochten vragen. En dat begrijpen was, in Veenhuizen, al een vorm van rechtvaardigheid.
Maallust draaide jaar na jaar. Het meel bleef komen, het brood bleef gebakken, en de zakken bleven gaan. Van Laar bleef tot zijn zestigste, daarna nam zijn zoon het over. En de naam van het huis bleef wat het was: Maallust. Alsof het werk zelf smaakvol was — wat het, op zijn eigen sobere manier, misschien ook was.

