
In 1907 kwam dominee Germs naar Veenhuizen. Hij was niet zomaar een predikant, maar een man met een missie. Germs geloofde in tweede kansen, zelfs als de eerste compleet in de soep was gelopen.
Zijn hart ging uit naar de mannen die door pech of eigen stommiteit aan lager wal waren geraakt. Voor hen had hij altijd een luisterend oor, een bemoedigend woord, en soms gewoon even een hand op de schouder. Hij paste daarmee naadloos bij het doel waarvoor de pauperopvang in Veenhuizen ooit was opgericht.
Je kon hem niet missen. Zwart pak, zilverwitte puntbaard, aktetas aan het stuur. Als hij door het dorp fietste, wist je: daar komt dominee Germs. Statig, maar altijd met oog voor wie hij passeerde. Hij kende iedereen: gevangenen, verpleegden én ambtenaren. Hij kwam overal over de vloer; niet om te oordelen, maar om te luisteren.
Hij keek ook verder dan de muren en hekken. Want hij zag hoe veel gedetineerden, net vrijgelaten, binnen een paar weken weer terugkeerden. Werkloos, dakloos, kansloos. Het systeem hield ze in de tang. Daarom trok Germs aan de bel, en werd hij een van de drijvende krachten achter de oprichting van de eerste openluchtgevangenis, in 1918. Dat was zijn manier van denken: als het niet werkt, zorg je dat het beter wordt.
Maar zijn hulp bleef niet beperkt tot Veenhuizen. Germs reisde het hele land door. Brieven bezorgen, nieuws brengen, families opzoeken. Zo ook op een dag in Amsterdam. Een gevangene uit Esserheem, Jan geheten, had hem gevraagd zijn vrouw op te zoeken. Dominee Germs moest haar een belangrijke boodschap overbrengen. En zoals altijd zei hij geen nee.
Hij vond het adres zonder moeite. Alleen… het was niet bepaald de buurt waar hij voor zijn plezier kwam. De Wallen. Rode lampen, open ramen, vrouwen achter glas. Daar had hij persoonlijk niets mee. Maar hij stapte er net zo kalm op af als in het gesticht: strak in het pak, baard gekamd, aktetas in de hand. Hij belde aan. Geen reactie. Nog een keer, wat langer dit keer. Boven schoof een raam open. Een vrouw met een wilde haardos en een grauw, slaperig gezicht keek naar beneden.
“Hee, wil je effe dimmen, baardmans?” riep ze. “Wat doe je hier? Ga maar naar de buurvrouw, die wil vast wel. Ik heb m’n ogen nog niet eens open.”
Germs antwoordde beleefd: “Mevrouw, ik kom namens de reclassering.”
Ze snoof. “Ja ja, die smoes ken ik. Hier komen wel vaker van die patjakkers in Pakkie Deftig. Zoek het maar uit. De tering met je reclassering! Ik heb nou geen zin.”
En floep… het raam dicht, gordijn ervoor, klaar. Daar stond hij dan. Als een vreemde eend in de bijt. Keurig, beleefd, afgewezen. De boodschap van Jan nog onderin zijn aktetas. De moed zonk hem in de schoenen.
Hij bleef nog even staan, in de hoop dat ze zich bedacht. Dat ze het raam weer zou openen. Maar nee. De vrouw was verdwenen. En dominee Germs kon onverrichterzake terug naar het noorden.
Of hij het ooit iemand verteld heeft? Wie weet. Maar in Veenhuizen ging het verhaal snel rond: eerst als gefluister, later met een grijns. De dominee die het voor iedereen opnam, kwam dit keer niet verder dan de voordeur.
En Jan? Die moest het nieuws over zijn vrouw nog even missen. Maar één ding was zeker: dominee Germs was weer een ervaring rijker. En sindsdien keek hij misschien net iets beter naar het adres op zo’n briefje…

