Dominee Germs is het Haasje

In Veenhuizen hadden gevangenen altijd steun van de kerk. De pastoor of dominee kwam regelmatig langs, zowel voor de gedetineerden als voor de mensen in het dorp. Ze luisterden, stelden gerust en probeerden iedereen weer op het rechte pad te krijgen.

Dominee Germs was zo iemand. Een nette man, altijd in het zwart gekleed, met een zilverwitte snor en een klein puntbaardje. Hij was geliefd in het dorp en stond bekend om zijn vriendelijke manier van doen.

Op een dag kwam hij op bezoek bij de familie Douwes.
Het was oorlog, vlees was schaars en alleen op de bon verkrijgbaar. Maar bij de Douwesen rook het heerlijk. Moeder Douwes stond net een vers gevangen haas te braden.

“Wat ruikt het hier goed,” zei dominee Germs met een glimlach.
“Vannacht gevangen,” zei Aise, de vader des huizes.
“Mo, geef dominee ook een stukje. Die waardeert dat vast wel.”

En dat klopte. De dominee at met smaak mee.
“Zo’n haasje is niet verkeerd,” zei hij, terwijl hij zijn servet neerlegde. “Maar hoe kom je eraan?”

Aise grijnsde en haalde een stukje ijzerdraad tevoorschijn. “Simpel, dominee. Een lus maken, uiteinde aan een tak binden. De lus op zo’n 15 centimeter van de grond hangen onder de heg, op een paadje waar ze vaak langskomen, en dan is het wachten.”

Dominee Germs keek belangstellend toe. “Zou ik dat ook kunnen leren? In mijn tuin zitten er ook genoeg.”

Nog diezelfde avond zette dominee Germs zijn eerste strik. Hij wachtte tot het begon te schemeren. In de tuin was het stil.

Het enige geluid kwam van een merel die nog even zijn liedje floot. De dominee keek goed om zich heen. Niemand te zien. Toch voelde hij zijn hart bonzen. Stel dat iemand hem zag… Een broeder uit de kerk, een nieuwsgierige buurvrouw, of erger nog: de jachtopziener. Dit mocht natuurlijk helemaal niet.

Met wat trillende vingers maakte hij een lus van het stukje ijzerdraad dat Aise Douwes hem had meegegeven. Hij bond het uiteinde voorzichtig aan een tak van de meidoorn en controleerde of de lus laag genoeg hing, precies op het smalle paadje onder de heg waar verse konijnenkeutels lagen.
“Een goed teken,” had Aise gezegd.

De dominee knikte tevreden. “Zo dan,” mompelde hij, alsof hij net een rozenstruik had gesnoeid. Hij streek zijn zwarte jas glad, haalde diep adem en liep met kalme tred terug naar zijn achterdeur. Niets aan de hand, hield hij zichzelf voor. Gewoon een dominee in zijn tuin.

Maar die nacht sliep hij onrustig. Elke krakende plank of windvlaag tegen het raam liet hem rechtop in bed zitten. Bij het eerste ochtendlicht sloop hij naar de heg. Zijn ogen gleden over het paadje… leeg.

Ook de tweede avond bleef de strik onaangeroerd.

Toch hield hij vol. Ieder geritsel in de tuin deed hem verstijven. Hij controleerde de strik, trok zijn kraag wat hoger op en liep terug naar huis alsof hij een geheime missie had uitgevoerd. Eentje waar de preekstoel beter niets van wist.

Tot de derde avond.

Toen hij het paadje naderde, zag hij het meteen: de tak bewoog. De draad stond strak. Zijn adem stokte. Een haas! En een flinke ook.

Maar net toen hij zich bukte om de prooi op te pakken, werd hij verblind door een fel licht…

“Wat doet u daar?! U bent in overtreding!” Het was jachtopziener H., die hem op heterdaad betrapte.

De dominee stamelde nog iets, maar wist ook: hier viel weinig meer uit te leggen. De jachtopziener gaf hem een reprimande. En een fikse boete.

Dominee Germs, normaal de man van het goede woord, was dit keer zelf het haasje geworden.

Sindsdien liet hij het stropen maar weer aan anderen over.

Scroll naar boven