Poep op de Stoep

In Veenhuizen was water een serieuze zaak. Geen kraan die je open kon draaien, geen douche met een simpele draai aan de knop. Tot ver in de jaren vijftig kwam het drinkwater nog met paard en wagen. En dat werd, zoals zoveel in Veenhuizen, verzorgd door de gevangenen zelf.

De zogeheten Waterwagenploeg bestond uit een aantal gedetineerden die dagelijks met een grote ton vol water door het dorp trokken. De wagen, een driewielige kiepkar, werd voortgetrokken door een paard en leek sprekend op zijn beruchte broer: de strontkar. En ja, vergis je niet: de verwarring was reël. Vooral als je niet goed oplette bij het afladen van de ton. Want een verkeerde ton bij de voordeur betekende letterlijk: poep op de stoep.

Het water kwam uit diepe boerderijputten, waar Norton-pompen een ondergronds buizenstelsel voedden. De gevangenen pompten de tonnen vol, laadden ze op de kar en gingen op pad. Met een kruiwagen vol vaten liepen ze huis voor huis af. De vaten werden op de nek gedragen of in de kruiwagen gezet en vervolgens leeggegoten in de waterton bij de woning van de ambtenaar.

Bij het huis van de familie Van Dijk stond de ton netjes onder het afdak, met een kraantje eraan. Dat water gebruikten ze voor alles: om te koken, je gezicht te wassen, de was te doen. In de winter verdween de ton naar binnen, om bevriezing te voorkomen.

En dan was er nog oudejaarsavond. In Veenhuizen werden geen vuurpijlen afgestoken. Nee, de jongeren vermaakten zich met een andere traditie: het verplaatsen van alles wat los én niet vast zat. Watertonnen, fietsen, strontemmers, boerenkarren – alles werd gestolen, versleept of ergens op scherp gezet.

De volgende ochtend hingen fietsen en stronttonnen in bomen. Kruiwagens en karren werden teruggevonden op het dak van het verenigingsgebouw. Dat was het werk van groepen jongeren.

De minder populaire ambtenaren konden rekenen op een volle poepdoos die bij het openen van de voordeur subtiel omviel. “Gelukkig Nieuwjaar!” Nou, dat begon lekker: met je enkels in de stront. De grappen van de jeugd waren niet altijd even fris, maar meestal werd er hard om gelachen. Behalve natuurlijk door degene die op nieuwjaarsdag zijn fiets bij de kerktoren mocht lospeuteren of met een schrobber de stoep stond te boenen.

Voor water in de tuin of voor de planten was er regenwater uit de ton of, voor wie geluk had, een regenput. Zacht water voor de was, met een apart smaakje. Niet helemaal zuiver misschien, maar als je dorst had, smaakte het best lekker.

En dan had je nog de ruilcultuur. Officieel verboden, natuurlijk, maar de ongeschreven regels telden zwaarder in Veenhuizen. Wanneer de Waterploeg je ton kwam vullen, verwachtten de gedetineerden een tegenprestatie. Een pluk pruimtabak, een halve sigaar, een kopje Sleur (surrogaatkoffie) – het maakte niet uit wat, als het maar iets was. Mijn moeder, zuinig maar niet gierig, had altijd iets paraat. Ze wist: wie z’n waterdrager paait, blijft gespaard van dorst en komt niet te kort.

Maar o wee de ambtenaar die z’n deur dichttrok zonder fooi. Die moest wekenlang aanklooien met een lege ton, of erger nog: zelf water scheppen uit de gracht. En dat smaakte, zoals ze in Veenhuizen zeiden, „alsof de turf door je strot giert.‟

En zo zag je ze elke dag weer langskomen: gedetineerden met een ton op de schouder of een kruiwagen voor zich uit. En iedereen in het dorp dacht hetzelfde: Is dat water… of poep op de stoep?

Want wat terugkomt, zegt alles. Een lege ton? Dan heb je netjes betaald – met tabak, koffie of charme. Maar komt er een volle ton terug? Dan weet je genoeg. Dat is de strontkar. En die neemt z’n wraak niet in stilte.

Welkom in Veenhuizen. Waar zelfvoorziening niet alleen een systeem was, maar ook een kwestie van goed bij de les blijven.

Scroll naar boven