Op de zalen van de Gestichten, die hoge, lange ruimten achter zware deuren, speelde zich een leven af dat alledaags, strak geregeld en tegelijk chaotisch was. Wie er sliep, at er ook. Wie zich waste, ging ernaast op de poepdoos. Privacy was er niet. Orde en tucht wel.

In zo’n zaal stonden negen houten tafels op schragen en achttien banken. Er hingen zo’n honderd hangmatten dakpansgewijs aan touwen aan plafond en muren. ’s Morgens vroeg trokken de mannen hun hangmatten omhoog tot grote bundels. Daardoor ontstond er ruimte om te lopen, te eten, te praten, of zwijgend pijp te roken of op tabak te pruimen.
De kamerwacht, meestal een oudere verpleegde, had als taak om alles op orde te houden. Tafels recht, vloer schoon, spullen op hun plek. Een dagelijkse strijd tegen de rommel, tegen het vuil, en tegen de gewoonte van de mannen om overal hun tabaksfluimen kwijt te raken.
Want pruimen deden ze veel in die tijd. Bruine tanden en mondhoeken, bruine sporen op vloer en wanden, waren normaal daar. Wie buiten liep, had het risico een bruine flats over de klompen te krijgen. Die werd met kracht en verrassende precisie tussen de tanden van de eigenaar door gemikt en kwam meters verder terecht. Binnen hing aan elk uiteinde van de tafel een spuwbak, een kwispedoor, die langzaam vol liep tot de kamerwacht hem moest legen. Geen dankbare klus.
Pruimtabak was handel. Je kon er spek mee kopen, een knipbeurt, of een rolletje pepermunt. En wie rookte, en dat deden er veel, kon zijn pijp aansteken met een klein petroleumvlammetje in de zaal. Een papieren strook boven het lampje en klaar. Spek werd soms opgepiept boven datzelfde vlammetje, of boven de asla van de kachel.
Sommigen namen stiekem een kooltje mee, om ’s avonds in de hangmat nog een pijpje te roken. Een gevaarlijke gewoonte. Één vonk op het touw, één gloeiend asdeeltje in de hangmat, en je had brand. Het is ook een paar keer gebeurd dat iemand zo zijn hangmat in de fik stak met alle gevolgen van dien. Mede daarom was het ten strengste verboden. Wie gepakt werd, moest zich melden bij de Raad van Tucht. En die stuurde je linea recta naar de isoleercel op brood, water en stilte.
Tussen twee zalen lag het waslokaal. Daar stond een pomp. Geen moderne kraan, geen douche, geen warm water. Maar een zware hendel die donkerbruin veenwater uit de gracht omhoog haalde. Dat water, ondoorzichtig van kleur, zat vol met waterratten, snoeken, larven en ander leven. Maar het was biologisch in balans, zo werd gezegd. Wassen met drinkwater was verboden.
Via een deur kwam je vanaf het waslokaal op de binnenplaats. Daar stonden zes poepdozen met halve deurtjes. Net hoog genoeg om te zitten, net laag genoeg om bekeken te worden. Want ook daar hield de zaalopziener toezicht. Onopvallend kon je er niets doen. En een prettig gevoel gaf het al helemaal niet.
De tonnen in de wc’s werden drie keer per week geleegd. Door een luikje aan de buitenkant werden ze naar buiten getild. Het rook er precies zoals je je dat kunt voorstellen. Wie het werk kreeg toegewezen wist het: niet je eerste keus, maar alles went, zelfs het legen van de tonnen aan de strontkar. En het voorzag ook in een behoefte.
De muren van de zaal waren onderaan ingesmeerd met paraffine. Daardoor was schoonmaken makkelijker. Het gaf een gladde laag tegen vlekken. In het midden stond de turfkachel. Een zwaargewicht van gietijzer, in de wintermaanden volgestouwd met turf. Niemand mocht er te dicht op staan. De warmte was voor iedereen. Die mocht je niet blokkeren.
De turfkist werd elke ochtend bijgevuld. Altijd door dezelfde man. Het was een vaste taak, een erebaan. De geur van turf, de rode gloed in de kachel, het geknetter als hij werd aangestoken. Het hoorde bij het ritme van de dag.
Er zaten geen tralies voor de ramen. In plaats daarvan zware gaasramen aan de buitenzijde. Ze lieten het licht binnen en hielden de vrijheid buiten. Ontsnappen was moeilijk. En toch gebeurde het af en toe. Als je wist hoe, wanneer of met wie.
Op de zaal kreeg elke man een klein bakje met toiletpapier. Dat papier was gedrenkt in crioleen, een antiseptisch goedje, en daarna gedroogd. Niet voor de hygiëne, maar om te voorkomen dat je er sigaretten van zou rollen.
En zo was het in de drie gestichten van Veenhuizen in die tijd. Geen cel, geen kamer, maar een zaal. Een lange ruimte vol pruimende, spuwende mannen op banken aan houten tafels rond een turfgestookte kachel. Waar hygiëne begon bij paraffine en veiligheid eindigde bij een kooltje in een hangmat.

