Wees in de Kolonie

In de straten van Amsterdam, tussen de stegen en grachten waar het armoe troef was, werd op 7 mei 1857 Bartholomeus Hermanus Gevelaar geboren. Lang heeft hij geen gezin gekend. Zijn vader stierf in 1858, nauwelijks een jaar na zijn geboorte. Over zijn moeder is weinig bekend, maar alles wijst erop dat ook zij kort daarna verdween uit zijn leven. En zo stond de kleine Bartholomeus, nog geen kleuter, alleen in de wereld.

Zijn jeugd bracht hij door in het Rooms-Katholiek Jongensweeshuis in Amsterdam, een van die vele instellingen waar duizenden wezen werden samengebracht.

Veilig misschien, maar geen warm thuis. Regels en tucht bepaalden het ritme van de dag. Gehoorzaamheid ging boven begrip. Voor liefde was er nauwelijks plaats.

Als kind paste Bartholomeus zich nog wel aan. Maar naarmate de jaren verstreken en de puberteit zich aankondigde, werd het anders. Hij begon zijn eigen mening te krijgen, zijn eigen woede en verdriet. En in de ogen van de leiding werd hij lastig.

Pubers die hun stem verhieven, die regels in twijfel trokken, waren niet gewenst. Ze waren een bedreiging voor de orde die het weeshuis moest uitstralen. En dus volgde de logische stap: overplaatsing.

In 1876, negentien jaar oud, werd Bartholomeus weggestuurd naar Frederiksoord, de proefkolonie van de Maatschappij van Weldadigheid. Daar probeerde men hem nog op te voeden tot een „nuttig lid van de maatschappij‟.

Maar ook daar ging het mis. Een brief van directeur Van Tol uit november 1876 spreekt boekdelen. Bartholomeus werd, samen met twee anderen, omschreven als een slecht voorbeeld. Hij zou oneerlijk zijn en ‘bedwateren’, iets wat toen zwaar telde. Een schande voor het systeem.

Bartholomeus werd weer overgeplaatst, dit keer naar Veenhuizen. Daar, tussen landlopers, bedelaars, alcoholisten en andere „onverbeterlijken‟, werd hij opgenomen. Geen leerling meer, geen kind, maar als een verpleegde man. Een nummer tussen velen.

Wat hij in Veenhuizen deed, dacht, voelde en hoopte… Niemand weet het. Maar ook hier kreeg hij geen vaste grond onder de voeten.

Op 1 juni 1905, op 48-jarige leeftijd, overleed Bartholomeus in Amsterdam. Wat hij in de tussentijd heeft meegemaakt, blijft grotendeels onbekend en is nauwelijks voor te stellen.

Nooit heeft hij een plek gevonden die voor anderen heel vanzelfsprekend was: een plek waar je welkom en gelukkig was.

Scroll naar boven