
In een gesloten gemeenschap als Veenhuizen, waar het leven draaide om orde, arbeid en kerkgang, moest ook ruimte zijn voor ontspanning. En dus kwam er rond 1920 een zwembad. Geen luxe voorziening of wedstrijdbad, maar een eenvoudig zwembad met een apart ondiep bad voor kinderen.
Het bad werd gegraven door verpleegden en gevuld met water uit de Kolonievaart. Denk maar niet dat de gevangenen er mochten zwemmen. Dat was voorbehouden aan de ambtenaren en hun kinderen. Het water was donkerbruin, rook naar turf en voelde als lauwe thee. Je zag je voeten niet, er zwommen vissen, torren, af en toe een waterrat… maar dat gaf niet.
Het was ‘biologisch in evenwicht’, zeiden ze. En dat klopte: niemand werd er slechter van. De kinderen leerden er zwemmen, bommetjes maken, duiken en reddingzwemmen. Gewoon, tussen de baarzen en de modder.
Wat het zwembad bijzonder maakte, was niet alleen het water of de springtoren, maar de sfeer. Alles was netjes gescheiden: jongens en meisjes hadden aparte kleedhokjes. Gemengd zwemmen was uit den boze. Onder hoofddirecteur Weyers kon er nog net een aparte ingang vanaf, maar zijn opvolger Mentrop deed die deuren letterlijk op slot.
De eerste badmeester was een verpleegde. Of was het een oud-Indiëganger? Of allebei… dat weet niemand zeker. Hij droeg een wit pak en hield toezicht vanaf de kant.
Tot het misging op een mooie zomerdag. Niemand had dit zien aankomen. Een paar jongens jonasten de badmeester met wit pak en al voor de grap het diepe bad in. De badmeester spartelde en er werd hard gelachen. Maar al snel verstomde de pret, want wat bleek: de badmeester kon niet zwemmen. Gelukkig wisten de jongens hem op tijd uit het water te redden.
Het bestuur van het zwembad besloot dat het beter was om een echte, professionele badmeester aan te stellen. Zo geschiedde. De nieuwe badmeester kon wel degelijk zwemmen en gaf zelfs zwemles aan de jeugd. Hij verdiende maar liefst achttien gulden per week.
De oude badmeester verdween. Wat bleef, was het plezier. En natuurlijk het bruine water, de vissen, de torren en af en toe een waterrat. Onder toezicht van een badmeester in een wit pak, met modder aan je tenen en de geur van turf in je neus: in biologisch evenwicht. Ach, alles went. En je wist niet beter…

