
Achterin het dorp, aan een doodlopend pad dat zelfs de bewakers liever meden, staat nog steeds het grote stenen gebouw dat rookte als een schoorsteen en dreunde als een orgel. De centrale. Daar kwam het licht vandaan. In een wereld waar je als gevangene niets had, kon je hier iets héél belangrijks krijgen, een baan als je vrij kwam. Want als technicus in de turfgestookte elektriciteitscentrale was je iemand. Daar werd de turf vergast en deze voorzag heel Veenhuizen van stroom. Het gas werd gebruikt voor de gasmotor die de dynamo aandreef voor de elektriciteit in woningen van de 113
ambtenaren. Het licht in de zalen. De gloeilamp boven het bed van de directeur. De klokken in de werkplaatsen. De lampen in de school. Bijna alles liep op stroom. Veenhuizen had elektrisch licht terwijl men het in de plaatsen rondom nog met olielampen moesten doen. En die stroom kwam van hier, opgewekt door mannen die normaal geen lucifer mochten vasthouden.
Wie hier mocht werken, zat goed. Letterlijk. De ovens loeiden dag en nacht. Turf kwam met karren tegelijk binnen. Blokken zwartbruine brandstof, gestoken op het eigen gestichtsveld, door mannen met kromme schoppen en slechte ruggen. Daarna hup het ketelhuis in. Daar werd de turf gestort, geschept. Tot hitte. Tot stoom. Tot kracht.
De temperatuur liep hoog op, maar niemand klaagde. In een wereld van tochtige slaapzalen, klamme kleren en kille muren was dit een paradijs. Het stonk naar olie en as, je zat onder het roet, je zweette je kapot. Maar het was je leven; je betekende wat in de maatschappij.
De machine zelf was een beest. Een kolos van gietijzer en stoomleidingen, geleverd door Werkspoor. Vier cilinders, vierduizend geheimen. Ze pompten als een hart, zuchtte als een draak. En als je het beest tevreden hield, hield het jou warm. De eerste motor was een 100pk 2 cilinder turfgasmotor, gemaakt door Crossley Brothers in Manchester. Later, in 1934, is de centrale uitgebreid met een 150pk 3 cilinder Kromhout dieselmotor.
De chef van de centrale, ambtenaar De Vries, was een man van weinig woorden en nog minder grapjes. Maar zelfs hij wist: de centrale was anders. Hier werkten geen dromers, geen dwazen, maar de stille techneuten van Veenhuizen. Jongens met gevoel voor machines. Met geduld. Met precisie. En met een scherp oor. Je hoorde aan het ritme van het beest of de druk goed was. Aan het tikken van de meters wist je of er een klep versleten was. Aan het zuchten van de leidingen voelde je of er lucht in de pijp zat.
Soms ging het mis. Een overdruk of een lek. Dan werd er gevloekt, gerend, gesmeerd en gestopt. Maar meestal liep het. Omdat de mannen het begrepen. Omdat ze het samen deden. Gevangenen, die verantwoordelijk waren voor het licht in het Gesticht én in de huizen van alle ambtenaren. Dat wisten ze maar al te goed. Soms, als er ’s avonds weer iemand doorweekt en chagrijnig langs de centrale fietste, gniffelden ze even. Als meneer De Vries het maar niet zag. In de Turfcentrale was het hard werken, maar goed toeven.

