
Op de stille, natte vlaktes van het veen rond Veenhuizen klonk ooit het gebrom en gepuf van een machtige locomobiel: een stoommachine, gestookt op turf. Het was een wonder van techniek in die dagen. Een log, ijzeren gevaarte met grote wielen en een schoorsteen die dikke rookpluimen de lucht in joeg.
De machine kon werktuigen aandrijven en maakte het zware werk van plaggen steken een stuk lichter. Als je tenminste het geluk had dat je er niet zelf aan hoefde te sleutelen of hem moest verplaatsen. Want deze locomobiel stond niet altijd op dezelfde plek. Afhankelijk van waar men turf stak of sloten groef, moest het monster worden verplaatst soms over land, maar meestal via het water, op een platte praam. Dat was geen kwestie van even optillen en weg sjouwen. Nee, dat was een hele operatie.
Het veen was drassig, zompig, verraderlijk. Het zwaarste werk kwam telkens weer op de schouders van de gedetineerden terecht. Zonder de hulp van een paard moesten ze duwen en sleuren… ze vloekten en zwoegden tot de machine, met veel moeite, op de houten planken van de praam stond. Die klus was niet vrijwillig. Ze deden het met eigen kracht, want een paard zou hier wegzakken in het moeras.
Werkmeester Holt, een man met een harde stem en een nog hardere hand, gaf het bevel: “Vooruit, in de benen en duwen jullie!” Zo ging het steeds…
Maar die dag liep het anders. Het was een grauwe ochtend. Er rustte weer een zware taak op de schouders van de mannen. Ze stonden met tegenzin in de modder en keken naar het monster dat verplaatst moest worden. “Dit werk is onmenselijk,” mopperde er een. Anderen knikten. Ze hadden hun ongenoegen vaker geuit, maar vandaag klonk er openlijk protest. Ze vonden het te gevaarlijk, te zwaar. En ze kregen gelijk.
De planken die klaar lagen om de machine overheen te rollen, waren te smal, te licht, te gammel. Maar het bevel was gegeven, dus ze zetten hun schouders er toch maar onder…
Tot het misging. Toen het gevaarte halverwege op de praam stond, kraakten de planken onder het gewicht. Er klonk een doffe knal, gevolgd door geschreeuw. En toen verdween de zware locomobiel met een enorme plons het modderige water in. De mannen sprongen opzij, sommigen vielen, enkelen stonden stil en staarden naar de plek waar het hele gevaarte nu tergend langzaam en sissend zonk in de drassige diepte van het veen.
Werkmeester Holt was wit van woede. “Opzet!” brulde hij. Of de gevangenen de machine écht een duwtje hadden gegeven, is nooit bewezen. Maar het gerucht ging al snel rond. Wat wel zeker was: het werk lag stil. En dat zou het voorlopig blijven.
Voor de betrokken mannen had dit ongeluk een bitter staartje. Er werd onderzoek gedaan, en de leiding was er snel uit: sabotage! En wie saboteerde, werd gestraft. Niet met boetes of extra werk. Nee, met celstraf. Ze werden overgebracht naar het beruchte cellencomplex De Rode Pannen. Daar wachtten hen een kille, kale cel met om de dag slechts water en brood. Zo was het toen nog. Geen luxe. Geen genade. Alleen de stilte, de honger en de geur van oude muren.
De locomobiel werd weken later met veel moeite uit het veen getrokken. Het was geen bruikbare machine meer, maar een roestige klomp ijzer; afgedankt en uiteindelijk verkocht aan een oud-ijzerhandelaar, die het gevaarte ter plekke in stukken zaagde. Wat ooit kracht en vooruitgang symboliseerde, eindigde in een grote hoop schroot.
Jammer. Want die oude locomobiel had een prachtstuk in het huidige Gevangenismuseum kunnen zijn. Een herinnering aan het harde leven, het zware werk en aan de mannen die hun dagen sleten in het veen; zwijgend en gedwee onder de druk van een dwingend systeem.

