De Dolle Kachelsmid

Hij had een vak. Hij kon wat. En toch belandde hij in Veenhuizen. In de jaren dertig was het moeilijk om werk te vinden. Zeker voor wie met Justitie in aanraking was gekomen. Oud-werklui, kleine zelfstandigen, mannen met eelt op de handen en mannen met schulden. Sommigen dronken. Anderen werden gewoon vergeten. Wie zijn plek in de maatschappij verloor, kreeg zelden een tweede kans.

Wie geen werk had én een misstap beging, kwam in Veenhuizen terecht. “De Schans,” noemden ze het — alsof het bescherming bood. Maar het was ook een grens. Voor de buitenwereld bleef je een verpleegde. Geen gevangene, nee, maar je zat in Veenhuizen. En dat zei genoeg.

Zo kwam ook een kachelsmid binnen. Zijn echte naam raakte snel vergeten. Hijzelf sprak die ook nooit uit. Iedereen noemde hem: “De Dolle”. Hij was een forse man, stevig gebouwd, met een horrelvoet. Dat maakte hem traag. Mank. Terwijl bijna iedereen op klompen liep, droeg hij als een van de weinigen schoenen. Niet uit luxe, maar omdat klompen voor hem geen optie waren.

De Dolle was handig. Hij kon kachelpijpen buigen, lekken dichten, een aambeeld bedienen alsof hij ermee geboren was. In de smederij werkte hij als een echte vakman. Tussen rook, hitte en ijzer voelde hij zich thuis.

Waarom hij “De Dolle” werd genoemd? Dat kwam door één moment. Een uitbarsting. Er was ruzie, niemand wist meer waarover… en hij sprong woedend dwárs door een raam. Ze sloten hem een paar dagen op in de isoleercel, de stoker. Vanaf toen was hij niet langer R., maar De Dolle. En zo wilde hij ook aangesproken worden.

Iedereen kende hem. Hij was altijd onderweg. Langs de gestichten, door de lanen. Om zijn nek hing een touw met gereedschap en kachelpijpen. Alles rammelde. Hij kauwde pruimtabak, groette iedereen. Met zijn schoenen, zijn manke been en zware pas liep hij elke dag kilometers.

Een fiets had hij niet. Hij had ooit nog gewerkt bij Burgers, de fabrikant van de velocipède. Fietsen kon hij en goed ook. Maar hij kreeg er geen. De bewakers vertrouwden het niet. Bang dat hij ermee zou ontsnappen. Onterecht. Hij dacht daar niet aan.

De Dolle had het goed in Veenhuizen. Hij was nuttig. En dat was genoeg. Soms kreeg hij pruimtabak als beloning. Of een pepermuntje, dat gaf hij dan aan kinderen. Soms kreeg hij koffie, als hij een klusje had gedaan bij een bewaker thuis. Wat hij kreeg, nam hij nooit mee naar het gesticht. Bang dat het afgepakt zou worden.

Op zijn 64ste werd het lopen te zwaar. Zijn schouder kon het gewicht van zijn gereedschap niet meer dragen. En op een dag stopte hij gewoon. Hij verdween naar het rusthuis. Stil. Zoals zoveel oudere verpleegden in die tijd. Of hij zelf schuld had aan zijn lot? Nauwelijks voor te stellen. Hij was altijd correct. Op zijn werk viel nooit iets aan te merken. Misschien was het zijn handicap, of gewoon ouderdom. Niemand wist het precies.

Wat iedereen wel wist: De Dolle had zijn plek verdiend. Hij had zich nuttig gemaakt met zijn blote handen. Hij was de man die in de Kolonie, zorgde voor warme zalen en veilige rookkanalen. Bij de gestichten, bij de ambtenaren thuis. En toen hij verdween, verdween ook het rammelende geluid van kachelpijpen en ijzeren ellebogen in de straten.

Maar een lopende kachelsmid zoals hij — die heeft Veenhuizen daarna nooit meer gehad. Het werd stil in de straten…

Scroll naar boven