
In het ritme van klompen op keien marcheerden de gevangenen van Veenhuizen elke ochtend naar hun werk: het veen, het land, de werkplaatsen… Wie geluk had, kreeg een ‘licht baantje’, zoals Gijs in de bakkerij. In de bakkerij was het warm, het rook naar gist en versgebakken brood: het beruchte roggebrood van de bajes. Onder leiding van een werkmeester werkten de mannen als een geoliede machine: meel sjouwen, gist mengen, deeg kneden, turf aanvoeren, broden de ovens in… En daarna dampend en stevig de kar op. En dan kwam Gijs.
Gijs H. was geen oproerkraaier, geen lawaaimaker, geen klaploper. Hij was een modelgevangene, een stille kracht. Iedere ochtend sjouwde hij de houten broodkar van de bakkerij naar het cellencomplex. Die kar, een krakkemikkig ding met piepende houten wielen, kraakte als een vals oud orgel bij iedere bocht. Maar Gijs klaagde niet. Hij liep. Dag in, dag uit. Altijd op tijd. Altijd correct.
Tot hij een verzoek indiende. Gijs wilde een paar dagen met strafonderbreking naar Sint Oedenrode, naar een familiefeest. Iets met een jubileum, of een oom met een gouden bruiloft. Hij vroeg het netjes aan en geloofde in de redelijkheid van de leidinggevenden. Maar niet iedereen kreeg zomaar verlof in die tijd. Het antwoord van de administratie was kort en hard: “Nee, uw verzoek is afgewezen.”
En daar knapte iets… De volgende ochtend stond de broodkar klaar zoals altijd. Maar Gijs? Die was weg. Zomaar. Zonder aankondiging. De trouwe brooddrager was verdwenen. De kar stond leeg te wiebelen in de ochtendzon.
Paniek bij de bakkerij. Verwarring bij de bewakers. Gijs? Gedeserteerd? Onmogelijk! Gijs was spoorloos. En de kar stond daar maar. Roerloos. Op hem te wachten. De zoektocht werd al snel gestaakt; waarschijnlijk zat hij gewoon gezellig in de achtertuin bij familie in Sint Oedenrode, met een plak cake en een kop koffie. Hoe hij daar gekomen was? Geen idee. Misschien had hij een lift gekregen van een barmhartige ziel. Of was hij
gewoon goed ter been, liep hij naar Assen en nam hij daar de trein?
Of Gijs zich ooit weer bij de poort meldde, is nooit vastgelegd. Wat wél achterbleef? Die ellendig krakende broodkar. Die stond daar. Gammel. Afgedankt. Te verpieteren. Maar vervangen? Ho maar. Dat ging natuurlijk via Den Haag. Dus lagen de formulieren voor een nieuwe broodkar drie maanden onderop een stapel in een la met het label “niet dringend”.
Toen het antwoord uiteindelijk meer dan een jaar later kwam, was de bakkerij al afgebroken. Besloten door mensen die nog nooit een kar met kuch over klinkers hadden geduwd. Maar ja: besteld is besteld. Dus werd er een splinternieuwe broodkar geleverd. Een prachtige, glimmende kar op rubberen banden. Modern! Wendbaar! Onberispelijk! Nooit gebruikt.
Hij staat nu in het Nationaal Gevangenismuseum. Als monument voor wat ooit was. Net als het hek bij Bankenbosch. Dat kwam jaren na sluiting van het gesticht alsnog. Werd keurig geplaatst. En daarna met militaire precisie weer afgebroken. Verplaatst. En ergens anders weer opgebouwd. Zo gaat dat bij Justitie. En wie dat niet gelooft, moet maar eens kijken in het museum van Veenhuizen. Daar staat-ie: de broodkar van Gijs. Zonder Gijs, maar mét geschiedenis…

