Veenhuizen en de Generaal

Veenhuizen was lang een plek waar de stilte over de heide rolde als ochtendnevel. Eeuwenlang lag het daar, verstopt in het natte hart van Drenthe. Een paar boerderijen, heidevelden, een beekje ‘de Slokkert’ dat door het veenland kronkelde… meer was het niet.

De mensen noemden het vroeger Venehuysen, een naam als een fluistering. Wie hiernaartoe ging, kwam niet voor de drukte. Alleen turfstekers, herders en volgens sommigen ooit een verdwaald Spaans garnizoen.

Ergens diep in het veen, waar de mist zich vasthoudt aan het gras, ligt een plek die ze het Spaanse Kerkhof noemen. Geen grafstenen meer, alleen een naam. Sommigen zeggen dat soldaten hier stierven aan cholera. Anderen denken dat ze de strijd verloren tegen het veen zelf, dat zompige, alles opslokkende moeras…

Na 1800 kwam er beweging in de rust. En hoe. Het ging slecht met het land. De economie hapte naar adem.
De Franse bezetting en de oorlogsjaren hadden hun tol geëist. Overal, vooral in de steden, zwierven mensen door de straten: armen, wezen, weduwen, dronkaards, arbeiders zonder werk. Ze sliepen in portieken, hingen rond op pleinen, en leefden van wat er overbleef of roofden waar ze konden. Vooral de rijken zagen de armoedzaaiers liever verdwijnen naar oorden waar zij er geen last van hadden. Nederland had een probleem.

Eén man zag het anders. Generaal-majoor Johannes van den Bosch. Geen bikkelharde veldheer, maar een man met een missie.

Hij nam het op voor mensen die onder het bestaansminimum leefden en zich niet konden handhaven in de maatschappij. In plaats van hen af te schrijven, geloofde hij dat je hen kon veranderen, heropvoeden.
Niet met preken of paternalisme, maar met werk.
Niet voeden, maar vormen.
Van den Bosch dacht: als je een arme zwerver werk gaf, veranderde zijn hele houding. Door zweet en regelmaat zou hij zijn grenzen leren verleggen. Door discipline zou hij zichzelf opnieuw leren kennen. Hij zou weer eigenwaarde krijgen.

Zo zou hij van lastpost veranderen in burger. Van randfiguur in deelnemer. Hij zou er een beter mens van worden.

Met dat doel richtte Van den Bosch de Maatschappij van Weldadigheid op. Een groots, haast utopisch project dat duizenden mensen een nieuwe kans moest geven.
Het bestond uit de oprichting van zeven koloniën: in Frederiksoord, Wilhelminaoord, Willemsoord, de Ommerschans, Veenhuizen, en twee in België: Wortel en Merksplas.

Hij kocht, met hulp van prins Frederik uit het Koninklijk Huis, drieduizend hectare grond in Veenhuizen. Ver weg, stil en afgelegen. Daar bouwde hij een gemeenschap voor heropvoeding en werkverschaffing.

Geen gevangenis, geen dorp, maar een zelfvoorzienende gemeenschap. Een aanvankelijk vrije kolonie, waar men welkom was als men bereid was om met werken de kost te verdienen.

De mensen die erheen gingen, kregen een nieuwe naam.
Ze werden ‘verpleegden’ genoemd. Het waren geen gevangenen meer. Geen zwervers of landlopers. Het waren mensen die verpleegd werden, zodat ze konden genezen van luiheid, armoede en doelloosheid. Mits…

Scroll naar boven