Paniek in de Rijtuigen

Tot ver na 1880 gebeurde er weinig bijzonders in Veenhuizen. De gestichten waren inmiddels overgenomen door Justitie, en het dorp draaide zoals het altijd had gedaan: langzaam, ordelijk en geruisloos. Alles verliep volgens een vast ritme.

Vervoer ging met paard en wagen, of via de trekschuit over het kanaal. De kinderen werden met de paardentram naar school gebracht. En wie naar Veenhuizen werd gebracht, zat op zo’n schuit – soms getrokken door een paard, soms door een paar mannen of zelfs ook door vrouwen.
De rust in het dorp werd zelden verstoord. Alleen als een paard op hol sloeg of als er iemand ontsnapte, dan stond het dorp even op scherp. Maar meestal bleef alles stil.
Tot die jongen kwam. Met zijn Velocipède.

Het was rond 1900. De fiets was al even uitgevonden, maar Veenhuizen liep, zoals vaker, wat achter. Deze jongen, de zoon van een ambtenaar, kreeg van thuis uit een tweewielig voertuig, gemaakt door de firma Burgers uit Deventer. Een soort opvolger van de Draisienne. De eerste in het dorp.

Hij fietste ermee over de klinkers, langs de gestichten, door de lanen waar normaal alleen koetsen en karren reden. Niet iedereen was daar blij mee. Zeker de voerlieden niet, die met paarden en wagens van het Eerste naar het Tweede Gesticht reden.

Zij riepen hem al van afstand toe: “Voorzichtig, jongen!”
Maar daar trok hij zich weinig van aan. Integendeel. Hij vond het juist mooi om vlak voor de paarden langs te schieten. Dan trokken die dieren met schrik hun hoofd omhoog. Ze steigerden. Raakten in paniek. Dat kon tot grote ongelukken leiden, want als een paard met wagen eenmaal op hol sloeg, belandde het geheel vaak met voerman en al in een sloot of tegen een boom met alle gevolgen van dien… Ook de mannen op de bok schrokken enorm; ze konden met moeite de boel onder controle houden.

Dat mocht natuurlijk niet weer gebeuren. Een van de stalmeesters, ook wel ‘hoevenaar’ genoemd, had er genoeg van. Hij stapte naar de Hoofddirecteur. Die verbood het fietsen niet helemaal, maar stelde wel duidelijke regels. De jongen mocht voortaan alleen nog fietsen als hij, bij het passeren van de voerman, van de fiets afstapte. Dan moest hij met de fiets aan de hand lopen tot hij het paard voorbij was en dan pas weer opstappen. “Om schichtigheid bij paarden te voorkomen,” stond er letterlijk in het bevel. Het was de eerste officiële regel over fietsen in Veenhuizen. En voorlopig ook de enige.

Want veel velocipèdes kwamen er daarna niet. Veenhuizen bleef lang vasthouden aan de oude manieren van verplaatsen. Vervoer van geproduceerde producten en goederen ging over het kanaal. De fiets werd pas veel later écht ingeburgerd toen de bewakers hem later als dienstfiets gingen gebruiken bij controles en ontsnappingen.

Dat duurde nog jaren. Alles bleef voorlopig nog bij het oude binnen de grenzen van Veenhuizen, dat na 1875 door Justitie afgesloten was van de buitenwereld. De Directie wilde geen inmenging van buitenaf. Men had geen belang bij inmenging, en de bewakers hadden zwijgplicht. Veenhuizen was toen en bleef nog lang een enclave binnen de gemeente Norg. De Hoofddirecteur had het voor het zeggen in het bijna geheel zelfvoorzienende bajesdorp…

Scroll naar boven