De Timmerknecht uit Workum

Hij was geen boef. Geen schurk. Geen zware jongen. Hij was een timmerknecht. Zijn naam, of beter gezegd zijn initialen, stonden opgetekend in de Leeuwarder Courant: IJ.H.H. uit Workum. Op 11 oktober 1880 ging hij langs de deuren, vragend om een aalmoes. Meer niet. Hij bedelde. En dat was dan wel geen echte misdaad, maar wel een vergrijp.

IJ. werd opgepakt en moest voor de rechter verschijnen. Drie dagen hechtenis, was het vonnis. En… drie jaar Veenhuizen voor heropvoeding.
“Om een beter mens te worden,” was de boodschap. Dat was hoe het ging, in die tijd.

Nederland stond er beroerd voor. Werkloosheid, armoede, mannen op straat zonder werk, zonder dak, zonder hoop. En wie pech had, werd opgepakt. En wie opgepakt werd, kwam in Veenhuizen.

De timmerknecht kwam in Veenhuizen aan met niets.
Hij kreeg een grauw pak van pilostof met een nummer op de borst. Daarbij kwamen een pet, een paar borstrokken, lange onderbroeken en een paar klompen. Harde houten klompen, gemaakt in de klompenmakerij van de inrichting.

Schoenen waren er alleen voor wie iets bijzonders moest doen, tijdens speciale gelegenheden. Voor tuchtigen met een opdracht buiten de poort. Voor de rest: klompen.
De bospantoffels. Die gingen jaren mee.

De timmerknecht werd een verpleegde, zoals dat toen heette, toen hij was opgebracht naar Veenhuizen. Maar hij was niet ziek. En armoede was geen misdaad.

Na een aantal maanden van losse klussen en verplicht werk, mocht hij naar de werkplaats. Daar lagen schaven en zagen, houten latten en planken op rekken. Hier voelde hij zich thuis. Eindelijk kon hij tonen wat hij aan ervaring had meegebracht.

De dagen werden maanden. En de maanden werden jaren. De timmerknecht was niet de enige. Veenhuizen zat vol met mannen zoals hij. Maar ook met zwervers, die het vak nog moesten of wilden leren.

In 1910 bleken van de 390 opgenomen zwervers er 127 die voor het eerst binnenkwamen. De rest? Die kwam steeds weer terug. Want buiten was er niets. Geen werk, geen thuis, geen plek.

Maar in Veenhuizen was tenminste een hangmat voor hen. Een dak boven hun hoofd. Een maaltijd. Een dag- en nachtritme.

De groep mannen die vooral in de winter steeds weer terugkeerde, was meestal ouder. Zij kozen ervoor om in de herfst terug te keren naar Veenhuizen, en kwamen uiteindelijk voorgoed terecht in het Derde Gesticht.
Daar zaten de oudgedienden. Ze hadden, hoewel het regime daar minder streng was, niet alleen hun vrijheid ingeleverd, maar ook hun toekomst. Ze hadden weinig meer te willen.

Veenhuizen was hun thuis geworden. Het Derde Gesticht. Het bejaardenhuis. Hun eindstation.

Scroll naar boven