
Generaal Johannes van den Bosch had grootse plannen.
Hij droomde van een kolonie, strak van opzet en helder van doel, waar mensen niet gevangen werden gezet, maar gevormd door arbeid. Een samenleving uit het niets, midden in het Drentse veen. Maar om die droom te verwezenlijken, had hij iets nodig dat hij nog niet had: mankracht. En veel ook.
Die vond hij juist in de mensen die hij wilde helpen.
Arme gezinnen, verloren zielen, alcoholisten, landlopers zonder middelen van bestaan… zij werden de bouwers van hun eigen toekomst. Ook al waren het natuurlijk niet de beste werkkrachten. Met de schop in de hand en een kruiwagen erbij groeven ze sloten, verlegden ze grond en trokken ze rechte lijnen in het landschap. Alles gebeurde met de hand. Geen machines, alleen spierkracht en doorzettingsvermogen.
Maar ook idealen kosten geld. Gelukkig had Van den Bosch goede connecties aan het hof. Het koningshuis geloofde in zijn missie en stelde de nodige middelen ter beschikking. Niet alleen om gebouwen te realiseren, maar vooral om te investeren in iets fundamentelers: infrastructuur.
Tot dan toe ging vervoer per paard en wagen. Traag, beperkt en afhankelijk van het weer. Dat zou nooit volstaan voor een kolonie die vanaf de grond moest worden opgebouwd. Wat hij nodig had, waren kanalen. Waterwegen waarover je trekschuiten met hout, kalk, steen en andere benodigdheden kon aanvoeren.
En dus begon het grote graven. Om de verbinding met Assen te verbeteren, moest een netwerk van lange, rechte kanalen worden aangelegd. De eerste stap was al eerder gezet: in 1787 werd begonnen met de Norgervaart, die in 1808 tot Smilde was voltooid. Maar Van den Bosch ging verder. Hij ontwierp een raster van waterwegen: een hoofdvaart, met daar haaks op zes dwarskanalen (de zogenoemde wijken of wieken) telkens 750 meter uit elkaar. Logisch, meetbaar en efficiënt. Tot op de dag van vandaag ligt dat patroon er nog.
De kanalen kregen meerdere functies. Ze waren van groot belang voor de turfwinning, maar in eerste instantie bedoeld om de kolonie zelf te bouwen. Toen het waternet er eenmaal lag, kon het echte werk beginnen.
In 1823 gaf Van den Bosch opdracht tot de bouw van drie imposante werkgestichten. Grote, vierkante gebouwen, opgetrokken rond een binnenplaats van 125 bij 125 meter, ruim anderhalve hectare. De buitenmuren reikten zelfs tot 145 bij 145 meter. Alle bouwmaterialen kwamen via de nieuwe kanalen binnen, steen voor steen, plank voor plank.
Het Eerste en Derde Gesticht werden ingericht voor wezen, het Tweede voor bedelaars. Elk gebouw bood plek aan zo’n vijftienhonderd bewoners. En toen die eenmaal onderdak hadden, werden er plannen gesmeed voor verdere uitbreiding: woningen voor personeel, boerderijen, fabrieken, werkplaatsen, kerken, scholen, een hospitaal, een verenigingsgebouw… alles wat nodig was voor een complete, zelfvoorzienende gemeenschap.

