
Als Frederica de brief opent die de bode haar zojuist heeft gebracht, weet ze niet of ze moet lachen of huilen. De woorden zijn helder. Johan heeft besloten: ze gaan naar Veenhuizen. Daar is werk, zegt hij. Veel werk. Hier in Den Haag liggen de banen niet voor het opscheppen. Alleen eindeloos wachten, hopen op betere tijden. Maar in Drenthe ligt een nieuwe toekomst. Hij kan daar een baan krijgen als zaalopziener.
Johan praat er vol vuur over. Hij heeft al vaker over Veenhuizen gehoord.
In Dordrecht sprak men erover en zijn vader noemde het destijds al een kans op een vaste baan. Daar bestond een actieve onderafdeling van de Maatschappij van Weldadigheid, met wel vijfenzestig leden. Voor Johan klinkt het als muziek in de oren, een kans op vooruitgang. Voor Frederica voelt het als afscheid van dierbaren.
Voor haar is Veenhuizen een onbekende, verre en kille vlek op de kaart. Ze weet niet hoe ver het is, hoe lang de reis zal duren, hoe het leven daar zal zijn. Ze kent alleen Den Haag: de straten van haar jeugd, haar moeder, haar buurt. Daar ligt haar leven, daar liggen haar wortels. En nu moet ze loslaten.
Johan probeert haar gerust te stellen. “We doen het voor de kinderen,” zegt hij. En dat is waar. Voor hun twee meisjes heeft Frederica alles over. Zelfs dit moeilijke afscheid, dat onherroepelijk is.
Eind oktober 1837 vertrekken ze uit Den Haag. De reis is lang en zwaar, van het westen van het land helemaal naar het koude, natte noorden. En hoe.
Eerst met de pakschuit van Den Haag naar Amsterdam. Het is herfst, koud en regenachtig. De wind giert.
Frederica klemt haar dochters stevig tegen zich aan als ze de loopplank oploopt naar het schip dat wiegt aan de kade.
Er is aan boord ook een groep weeskinderen, die onder begeleiding op weg is naar een nieuw bestaan in Veenhuizen.
Op de steiger wuiven familieleden hun dierbaren uit. Sommigen met tranen, anderen stil van verdriet.
Frederica voelt de bui letterlijk én figuurlijk hangen.
In Amsterdam overnachten ze in de kazerne bij de Utrechtse Poort. Dat is geregeld door de Maatschappij van Weldadigheid. Johan spreekt met anderen die al in Veenhuizen zijn geweest. Opgetogen stelt hij vragen om alles te weten over wat hem te wachten staat. Voor hem is dit een avontuur, een nieuw begin. Al begrijpt hij de zorgen van zijn vrouw maar al te goed.
De volgende dag vertrekken ze per beurtschip over de Zuiderzee naar Meppel. Als ze vanaf het IJ de open zee op varen, jaagt de wind in de bruine zeilen. De knecht roept iedereen naar binnen, naar de roef: een lage, benauwde ruimte onder het dek. De geur van touw, zeewater en mensen is doordringend. Door de ruwe golfslag worden de kinderen misselijk. Ook meerdere volwassenen worden zeeziek.
Een trieste aanblik daar in de roef, waar de meeste kinderen wezenloos en bleek van ellende, stijf tegen elkaar aan zitten om de kou te trotseren.
Maar Johan heeft daar geen last van. Hij is alleen maar in gedachten bezig met zijn nieuwe baan, met het vaste vertrouwen dat alles goed zal komen zodra ze in Veenhuizen zijn.
De reis lijkt eindeloos. Midden in de nacht komen ze aan in het Zwolse Diep. De deining is voorbij. Frederica en de kinderen vallen uitgeput in slaap…
Als de ochtend aanbreekt, legt het schip aan in Meppel. Daar stappen ze over in een trekschuit, die hen via Assen naar Veenhuizen zal brengen.
Op 2 november komen ze aan. Bleek en vermoeid.
Een collega van Johan heet hen welkom. Ze krijgen warm eten: een bord stevige soep. Daarna worden ze naar hun woning gebracht, een zaalopzienershuis bij het Eerste Gesticht.

