
Als verpleegde of gedetineerde werken in de keuken, het hospitaal of de bakkerij was in Veenhuizen een lot uit de loterij, als je de juiste papieren (of vrienden) had. Maar als je pech had, mocht je aan de slag in het veen of op het land, waar je meer zweet dan geld verzamelde. Echt wat verdienen tussen de plaggen turf in het veen, was alleen weggelegd voor grootwinners of voor de particulieren. Dan moest je een eigen veenput hebben voor je stookvoorraad in de winter. Niet iedereen kwam daarvoor in aanmerking, gelukkig maar.
Maar het échte goud lag in de ambtenarentuinen. Daar werkte je toen nog zonder een GeWa die de hele dag op je vingers keek, en met zicht op koffie of een sigaar. Want wie zijn schop in de tuin van een bewaker mocht steken, zat meestal wel goed.
Neem nou Gouwloze. Smokkelaar van beroep, tuinman als bijbaan, en stamgast bij de familie Ties. Iedere keer als hij vrij kwam, riep hij: “Dit was de laatste keer, hoor!” En tien dagen later stond hij alweer op de stoep, met de schoffel in de hand en een schuldbewuste grijns van oor tot oor.
“Wat heb je nou weer uitgespookt?” vroeg pa Ties op een dag. “Ach,” zuchtte Gouwloze. “Ze hebben me weer eens in de val laten lopen met een partij boter over de grens. Op heterdaad. Twee jaar Veenhuizen erbij. Maar gelukkig wel weer bij jullie in de tuin. Beter dan de hele dag in de bak, toch?”
Mevrouw Ties had de koffie al klaarstaan: échte koffie, geen surrogaat, met een flinke plak koek erbij. Want zo ging dat. Goede koffie = mooie rechte rijen en volle kroppen sla. Slechte koffie = matig bonenjaar. Waar zou dat toch aan liggen?
Het was streng verboden om de tuinman te verwennen met koffie, koek, sigaretten, sigaren of wat dan ook. Toch klonk er in Veenhuizen meerdere malen per dag: “Tuinman, schuurtje!” Het was een vriendelijk en geheim commando dat door menige keuken klonk. Het
betekende: koffie met koek, misschien een pruimtabak of een dikke sigaar. Kort bevel, geen gedoe, geen vragen. En als er koffie van gisteren geschonken werd? Dan wist de tuinman ook hoe diep hij de aardappels moest poten… Zó diep dat de kiemen niet wisten waar ze naartoe moesten groeien, of dat ze pas opkwamen als het begon te vriezen.
Een ambtenaar vroeg ooit gefrustreerd aan zijn tuinman waarom z’n buurman tien aardappels aan een struik had, en hij zelf maar twee. “Wat zeur je nou, man?” bromde de tuinman. “Je hebt er maar één gepoot. Da’s dus honderd procent winst.”
De tuinen zelf waren net zo hiërarchisch ingedeeld als de woningen. Een directeur had een lap grond waar je een klein dorp op kon bouwen. Bij de lagere rangen was het aantal vierkante meters streng gereguleerd. Toch waren dit in vergelijking met vandaag nog tuinen waar de ambtenaar dagelijks voldoende groente en fruit uit kon halen voor het hele gezin. Maar onderscheid moest er zijn: zelfs het aantal kippen dat je mocht houden was gereguleerd: maximaal tien en een haan. En o wee als je elf kuikens had. Dan was je verdacht. Die moest je dus consumeren voordat het kippen waren…
En dan was er nog de beruchte konijnenpot. Menig ambtenaar had een hok konijnen en draaide zijn hand niet om voor een slachtpartij. Sommigen lieten dat liever over aan een gedetineerde met een vaste hand en een scherp mes. In ruil voor zijn dienst kreeg hij soms een
stukje gebraden konijn mee. Mits de bewaking niet keek, of op de geur afkwam.
Ook aan fruit geen gebrek. De Kolonietuin stond vol met bomen die krom hingen van de appels, peren en pruimen. En dat kwam allemaal goed terecht: in de weckflessen, op zolder, of als moes op tafel. Want ja, goedkoop was het leven in Veenhuizen zeker. Huur bijna gratis, de verwarming gesubsidieerd, de sportclub betaald door het Rijk.
Amusement was ook gratis geregeld voor de ambtenaren. In het Verenigingsgebouw kwamen de beste artiesten van Nederland gratis optreden voor de directie en ambtenaren. Justitie regelde dat allemaal. Verder waren de bewoners in het algemeen zuinig. Er werd niets over de balk gegooid wat nog bruikbaar was, want verspilling was een woord dat men daar niet kende. Zelfs de radio stond op halve sterkte, omdat iedereen meeluisterde (grapje).
Maar met de jaren kwamen ook de verlangens. Naar glanzende fietsen, luxere gordijnen, een grotere tuin dan de buurman. En toen begonnen de problemen. Want in een dorp als Veenhuizen, waar status af te lezen was aan de spreuk op je gevel en de vorm van je gedraaide knop op de poepdoos, werd het gras bij de buren altijd groener… vooral als hun tuinman betere koffie kreeg.

